Select Page

Spreuken 25:12

Een wijs bestraffer bij een horend oor, is een gouden oorsiersel, en een halssieraad van het fijnste goud.

Spreuken 27:14

Die zijn vriend zegent met luide stem, zich ‘s morgens vroeg opmakende, het zal hem tot een vloek gerekend worden.

Spreuken 28:23

Die een mens bestraft, zal achterna gunst vinden, meer dan die met de tong vleit.

Spreuken 28:26

Die op zijn hart vertrouwt, die is een zot; maar die in wijsheid wandelt, die zal ontkomen.

Spreuken 29:9

Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust.