Select Page

Spreuken 14:21

Die zijn naaste veracht, zondigt; maar die zich over de nederigen ontfermt, die is welgelukzalig.

Spreuken 18:17

Die de eerste is in zijn rechtszaak, schijnt rechtvaardig te zijn; maar zijn naaste komt, en hij onderzoekt hem.

Spreuken 21:10

De ziel van de goddelozen begeert het kwaad; zijn naaste krijgt geen genade in zijn ogen.

Spreuken 22:1-2

De naam is uitgelezener dan grote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud. Rijken en armen ontmoeten elkaar; JAHWEH heeft hen allen gemaakt.

Spreuken 24:17-18

Verblijd u niet, als uw vijand valt; en als hij neerstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen; Opdat JAHWEH niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.