Select Page

Spreuken 28:6

De arme, wandelende in zijn oprechtheid, is beter, dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk.

Spreuken 25:26

De rechtvaardige, wankelende voor het aangezicht van de goddelozen, is een beroerde fontein, en verdorven springader.

Spreuken 29:7

De rechtvaardige neemt kennis van de rechtzaak van de armen; maar de goddeloze begrijpt de wetenschap niet.

Spreuken 30:8-9

Zinloosheid en leugentaal doe verre van mij; armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood dat mij toekomt; Opdat ik, verzadigd zijnde, U dan niet verloochene, en zeg: Wie is JAHWEH? of dat ik, verarmd zijnde, dan niet stele, en de Naam van mijn God...

Spreuken 31:8-9

Open uw mond voor de stomme, voor de rechtzaak van allen, die omkomen zouden. Open uw mond; oordeel rechtvaardig, en doe de verdrukte en arme recht.