Select Page

Spreuken 27:14

Die zijn vriend zegent met luide stem, zich ‘s morgens vroeg opmakende, het zal hem tot een vloek gerekend worden.

Spreuken 28:23

Die een mens bestraft, zal achterna gunst vinden, meer dan die met de tong vleit.

Spreuken 28:26

Die op zijn hart vertrouwt, die is een zot; maar die in wijsheid wandelt, die zal ontkomen.

Spreuken 29:9

Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust.

Prediker 3:1

Alles heeft een bestemde tijd, en alle voornemen onder de hemel heeft zijn tijd.